Valincidenten behoren tot de grootste uitdagingen binnen de ouderenzorg. Ze kunnen leiden tot botbreuken, ziekenhuisopnames, verlies van zelfstandigheid en een aanzienlijke afname van de kwaliteit van leven. Ondanks de vooruitgang in de gezondheidszorg blijft het voorkomen van vallen een van de meest complexe vraagstukken waarmee zorgteams te maken hebben.
Een val heeft zelden één duidelijke oorzaak.
Meestal ontstaat een val door een combinatie van lichamelijke, cognitieve, omgevings- en medische factoren die tegelijkertijd een rol spelen. Inzicht in deze complexiteit is de eerste stap naar een veiligere leefomgeving voor ouderen.
Naarmate mensen langer leven, hebben meer ouderen behoefte aan residentiële en langdurige zorg. Veel mensen blijven tot op hoge leeftijd actief, maar ouder worden brengt vaak factoren met zich mee die het risico op vallen vergroten. Denk aan verminderde spierkracht, evenwichtsproblemen, slechtziendheid, cognitieve achteruitgang, bijwerkingen van medicatie, duizeligheid, plotselinge aandrang om naar het toilet te gaan en chronische aandoeningen.
Deze factoren komen vaak tegelijkertijd voor. Daardoor zijn valincidenten meer dan alleen ongelukken; ze kunnen wijzen op onderliggende gezondheidsproblemen en veranderende zorgbehoeften.
Valpreventie in de thuissituatie is al een uitdaging. Binnen woonzorgcentra en andere langdurige zorgomgevingen is deze uitdaging nog groter. Bewoners zijn vaak ouder en hebben vaker meerdere chronische aandoeningen tegelijk. Veel bewoners hebben ondersteuning nodig bij dagelijkse activiteiten. Daarnaast leven sommigen met dementie of een delier, wat invloed heeft op hun beoordelingsvermogen en bewustzijn.
Denk aan een veelvoorkomende situatie in de nacht: Een bewoner wordt wakker omdat hij of zij naar het toilet moet. Bij het opstaan daalt de bloeddruk tijdelijk, waardoor duizeligheid ontstaat. Vervolgens loopt de bewoner door een slecht verlichte kamer. Tegelijkertijd kan medicatie het evenwicht beïnvloeden en kan de mobiliteit al beperkt zijn. Op zichzelf leidt geen van deze factoren per se tot een val. Maar samen zorgen ze voor een situatie waarin het risico aanzienlijk toeneemt.
Daarom is het belangrijk om valincidenten niet als op zichzelf staande gebeurtenissen te zien, maar als het resultaat van een voortdurend veranderende situatie.
Veel organisaties gebruiken al jarenlang instrumenten om het valrisico van bewoners in kaart te brengen. Hoewel dergelijke beoordelingen waardevol blijven, leggen moderne richtlijnen steeds meer nadruk op een brede, persoonsgerichte evaluatie in plaats van op voorspellende risicoscores alleen.
In plaats van de vraag: "Gaat deze bewoner vallen?" is het vaak nuttiger om te vragen:
Een bewoner die herstelt van een ziekte kan bijvoorbeeld plotseling minder kracht hebben. Een andere bewoner kan net gestart zijn met medicatie die het evenwicht beïnvloedt. Iemand met dementie kan juist steeds vaker 's nachts rondlopen.
Deze veranderingen zijn belangrijk, omdat valrisico voortdurend verandert.
Bij een val denken veel mensen direct aan botbreuken of andere verwondingen. Toch zijn de gevolgen vaak breder en minder zichtbaar. Na een val ontstaat regelmatig angst om opnieuw te vallen. Hierdoor gaan bewoners minder bewegen en vermijden zij activiteiten waar zij eerder plezier aan beleefden. Langzaam nemen spierkracht en zelfvertrouwen af. Ironisch genoeg vergroot deze afname van activiteit juist het risico op toekomstige valincidenten.
Ook familieleden worden geraakt. Een ernstige val kan het vertrouwen in het vermogen van een zorgorganisatie om hun naaste te beschermen verminderen. Daarnaast kunnen zorgverleners stress en onzekerheid ervaren, vooral wanneer niemand de val heeft zien gebeuren en het onduidelijk blijft wat er precies is gebeurd.
Voor zorgorganisaties brengt iedere val bovendien extra registraties, onderzoeken en soms ziekenhuisopnames met zich mee. Dit legt extra druk op zorgteams die vaak al zwaar belast zijn.
Een belangrijke ontwikkeling binnen moderne valpreventie is de verschuiving van het voorspellen van individuele valincidenten naar het herkennen van veranderende gedragspatronen. Zo kan een bewoner die normaal gesproken de hele nacht doorslaapt ineens meerdere keren uit bed komen. Een andere bewoner brengt steeds meer tijd door op het toilet of wordt overdag merkbaar minder actief.
Dergelijke veranderingen kunnen wijzen op nieuwe gezondheidsproblemen, vaak al voordat een val plaatsvindt. Door deze signalen vroegtijdig te herkennen, kunnen zorgteams mogelijke oorzaken onderzoeken, zorgplannen aanpassen en ondersteuning bieden voordat het risico verder toeneemt.
Onderzoek toont consequent aan dat geen enkele interventie valpartijen kan voorkomen. De meest succesvolle aanpak combineert verschillende interventies die zijn afgestemd op de individuele bewoner.
Denk bijvoorbeeld aan:
Met andere woorden, effectieve valpreventie draait niet om het vinden van één perfecte oplossing; het gaat om het begrijpen van de persoon achter het risico.
Als inzicht in veranderend risico de basis is van valpreventie, wordt de volgende vraag duidelijk: Hoe kunnen zorgteams die veranderingen vroeg genoeg herkennen om in te grijpen?
Steeds vaker speelt technologie daarbij een ondersteunende rol. Niet als vervanging van zorgverleners, maar als extra hulpmiddel om veranderingen in gedrag en activiteiten sneller zichtbaar te maken, sneller te reageren en beter geïnformeerde beslissingen te nemen.
In het volgende artikel in deze serie bekijken we hoe sensorgebaseerde monitoring en activiteitsdata kunnen bijdragen aan het vroegtijdig signaleren van valrisico's en zorgverleners kunnen ondersteunen bij het bieden van meer proactieve, persoonsgerichte zorg.
In het volgende artikel in deze serie onderzoeken we hoe kunnen bijdragen aan vroeger bewustzijn van valrisico's, terwijl mantelzorgers worden geholpen om proactievere, persoonsgerichte zorg te leveren.